Maar tussen deze twee uitersten ligt de dagelijkse realiteit. En die volgt niet de regels van brochures of discussies aan de stamtafel. De belangrijkste vraag is niet wat een auto theoretisch kan, maar wanneer en waar prestaties daadwerkelijk nodig zijn.
Waarom de klassieke 0–100-tijd in het dagelijks leven nauwelijks van belang is
Veel aankoopbeslissingen zijn nog steeds gebaseerd op één getal: de acceleratie van 0 naar 100 km/u. Het klinkt objectief, meetbaar, vergelijkbaar. In het echte verkeer speelt het echter nauwelijks een rol. Want de meeste dagelijkse situaties beginnen niet bij nul.
Veel vaker gaat het erom, een vrachtwagen op de provinciale weg in te halen, mee te zwemmen in het verkeer bij een oprit van de snelweg of snel te versnellen vanuit middelhoge snelheden. Het gaat dus niet om de sprint vanuit stilstand, maar om hoe snel een auto reageert tussen ongeveer 60 en 100 km/u. Precies daar wordt bepaald of een inhaalmanoeuvre zelfverzekerd of traag aanvoelt.
En precies daar beginnen 90 en 300 PK echt te verschillen.